Stappenplan voor de was

Als u voor het wassen dit stappenplan volgt, kan er weinig meer fout gaan. De stappen worden onder de samenvatting verder toegelicht.

  1. wasgoed voorbereiden
  2. was sorteren
  3. aanwijzingen voor een handwas
  4. bepaal of er een voorwas nodig is
  5. kies het juiste programma
  6. zorg voor goede belading
  7. doseer wasmiddel volgens de verpakking
  8. haal de was onmiddellijk na afloop uit de machine om te drogen

1. Bereid het wasgoed voor
- maak alle zakken leeg
- ontrol de manchetten van overhemden
- keer (spijker)broeken binnenstebuiten, om te voorkomen dat er vale strepen ontstaan
- draai truien, t-shirts en dergelijke met opdruk eveneens binnenstebuiten voor het wassen
- sluit alle ritssluitingen, drukknopen en haken en bindt touwtjes samen. Dit voorkomt schade aan de wasmachine en het overige wasgoed

2. Sorteer het wasgoed volgens de wassymbolen
Sorteren is van het grootste belang. Lees hiervoor het etiket in de kleding. Hier leest u van welke textielsoort(en) het kledingstuk is gemaakt. Bovendien laten wassymbolen zien, of en hoe de kleding mag worden gewassen. U sorteert op:
- wassen of wegbrengen naar de stomerij (controleer en volg het onderhoudsetiket)
- machinewas of (snelle) handwas (volg weer het wassymbool)
- de vuilgraad: was erg vuil wasgoed apart, zodat het vuil zich niet kan afzetten op andere, minder vuile kleding
- kleur: donkerbonte, lichtbonte en witte was
- soort textiel: houd gevoelige weefsels (wol, zijde, bepaalde synthetische weefsels) apart van zware weefsels (bijvoorbeeld katoen)
- wastemperatuur: was nooit warmer dan de temperatuur die op het wassymbool staat
- centrifugeersnelheid: die kun je aflezen aan het wastobbesymbool (zie wassymbolen)

Let op bij nieuwe artikelen: vaak moet dit de eerste (paar) keer apart worden gewassen. Nieuw textiel bevat vaak een overmaat aan kleurstof, die bij de eerste (paar) keer wassen loslaat.
Let ook op bij kleding of ander textiel die mogelijk niet-kleurecht is. Er is een eenvoudige test om vast te stellen of u te maken heeft met niet-wasechte kleuren. Wrijf met een natgemaakt wit lapje op een onzichtbare plaats over het betreffende textiel. Als het lapje verkleurt, gaat het om niet-wasechte gekleurde textiel en kunt u het beter apart wassen.

3. Aanwijzingen voor een handwas
Sommige kwetsbare of niet-kleurechte kledingstukken kunnen beter met de hand worden gewassen. Let ook bij de handwas op de temperatuur. Fijne was die u niet aan de wasmachine toevertrouwt, kunt u het beste wassen met een speciaal middel (bijvoorbeeld een wolwas- of een fijnwasmiddel). Gebruik hiervoor geen hoofd- of kleurwasmiddel, tenzij de informatie op de verpakking anders is. Het is belangrijk om bij een handwas eerst het wasmiddel in het water op te lossen en daarna pas het textiel in het sop te dompelen. Het wasgoed moet steeds onder water blijven en in beweging. Vooral gekleurd wasgoed moet nooit in het sop blijven staan, omdat het dan kan verkleuren. Om dezelfde reden mag nat wasgoed niet op elkaar blijven liggen. Tenslotte: nooit wringen of wrijven, alleen knijpen tijdens een handwas. Spoel na afloop goed uw handen af en maak ze zorgvuldig droog.

4. Bij machinewas: bepaal of een voorwas nodig is
Zijn er bij je was meerdere stukken die erg vuil zijn, dan kunt u de wasmachine een voorwas laten draaien. Het wasprogramma gaat dan automatisch na de voorwas over op de hoofdwas. U kunt ook een vlekkenmiddel of wat extra (vloeibaar) wasmiddel aanbrengen op lastige vlekken, of u voegt een waskrachtversterker toe.

5.Kies het juiste wasprogramma voor de machinewas
De keuze van het wasprogramma hangt af van de sortering van het wasgoed (zie stap 2). Volg hierbij de wassymbolen in het onderhoudsetiket van het textiel.

6. Zorg voor een goede belading
De keuze van het wasprogramma bepaalt of u de wasmachine vol mag doen (bij een “bonte” of “witte was”, bijvoorbeeld), of dat er minder was in mag (“kreukherstellend” programma of een “fijne was” of “wolwas”). Als u een lading normale was draait, is de wasmachine goed beladen als u uw hand in de trommel boven het wasgoed nog heen en weer kunt bewegen.

Een wasmachine die te licht of te zwaar is beladen, functioneert niet goed. Te weinig was in de machine betekent verspilling van elektriciteit en water en mogelijk teveel schuim, waardoor het wasgoed gaat 'zweven' en niet goed schoon wordt. Wacht dan liever nog een dagje tot u meer wasgoed heeft, of doe een was met de hand. Veel wasmachines hebben tegenwoordig overigens een speciaal 'spaarprogramma' voor kleine hoeveelheden wasgoed.

Ook teveel was in de machine zal als resultaat hebben dat de was niet schoon wordt. De oorzaak is dat er te weinig beweging in de trommel mogelijk is en het wasmiddel zijn werk niet goed kan doen, omdat het niet kan doordringen in de vezels. Bovendien is uitspoelen in een te volle machine moeilijker, waardoor er wasmiddelresten kunnen achterblijven in het wasgoed. In de meeste machines kan vijf kilo 'gewoon' wasgoed tegelijkertijd gewassen worden, of twee kilo fijne was of één kilo wolwas. Er zijn ook machines op de markt die zes of zeven kilo kunnen draaien. Kijk dan op de verpakking van uw wasmiddel of u meer moet doseren.

7. Doseer het wasmiddel volgens de gebruiksaanwijzing
Op de verpakking van wasmiddelen staat altijd aangegeven hoeveel u ervan moet toevoegen. U meet de juiste hoeveelheid wasmiddel af en doet het in het inspoelbakje. Soms raden fabrikanten aan om een doseersysteem (doseerbol) te gebruiken, dat u in de wastrommel stopt. Het voordeel darvan is dat het wasmiddel in het hart van de was terecht komt, vervolgens direct oplost en dus sneller zijn werk doet. Wasmiddelen die via het inspoelbakje in het sop komen, kunnen bij de wat oudere machines soms gedeeltelijk achterblijven in de afvoer en dat kan wel tot 15% wasmiddelverlies oplopen. Met de textielwastabletten kunt u heel gemakkelijk de door de fabrikant aanbevolen dosering volgen. Soms beveelt de fabrikant hierbij een netje aan om productverliezen via het inspoelbakje te voorkomen.

Als u te weinig wasmiddel gebruikt, worden vuil en vlekken onvoldoende verwijderd en slaan de losgemaakte vuildeeltjes weer neer op het textiel. Hierdoor wordt de was na verloop van tijd grauw. Er zou dan ook kalkaanslag kunnen neerslaan op de was en op het verwarmingselement van de wasmachine. Te weinig doseren is dus niet alleen slecht voor de was, maar ook voor de machine.

Bij extra hard water kunt u ňf wat meer wasmiddel gebruiken, ňf een speciale waterontharder toevoegen. Gebruikt u teveel wasmiddel, dan zal er teveel schuim ontstaan. Net als bij te lichte belading gaat het wasgoed dan in de trommel 'zweven' en kan het wasmiddel minder goed zijn werk doen. Bovendien is teveel gebruiken verspilling.
Als u wasverzachter gebruikt, doet u de hoeveelheid die op de verpakking wordt aanbevolen in het  speciale wasverzachterbakje. De wasverzachter wordt dan vanzelf aan het laatste spoelwater toegevoegd. Nadat u het wasmiddel en eventueel waterontharder en/of wasverzachter hebt gedoseerd, sluit u de deur van de wasmachine en drukt u op start. De wasmachine doet de rest.

8. Na afloop van het wasprogramma meteen laten drogen
U haalt het natte wasgoed meteen na afloop van het programma uit de wasmachine. Als u dit te lang vochtig in de machine laat zitten, kan dat vieze geuren en zelfs schimmel veroorzaken. U kunt de was aan een rek of waslijn te drogen hangen, of een wasdroger gebruiken. Kijk dan ook weer goed op het etiket: het drogen-symbool (zie wassymbolen) geeft aan of het kledingstuk in de droogtrommel kan, en op welke temperatuur. Stop de droger niet te vol: de kleding moet kunnen ronddraaien. Overbelading zorgt voor extra kreukels. Bovendien kunnen de artikelen warmteschade oplopen, als het ventilatiegat van de droger verstopt raakt door overbelading. Ook na afloop van een droogprogramma haal je het wasgoed er meteen uit. Dit voorkomt kreukvorming.